stripinfo.be wordt gratis aangeboden, maar de site in de lucht houden kost wel geld. We hebben de advertenties uitgeschakeld, maar misschien wil je overwegen de site te steunen met een gift?. Meer info?

7.60/10 #751
17 stemmen Enkel strips met minimaal 10 stemmen worden meegerekend voor de score van de reeks

Weetjes en fouten

Jim Cutlass: De geboorte van een reeks door ruzie om geld

De reeks Jim Cutlass werd door Jean-Michel Charlier en Jean Giraud in 1979 gecreëerd om druk uit te oefenen op Dargaud, de uitgever van Blueberry waar ze op dat moment niet tevreden over waren wegens een sinds 1974 steeds hoger oplopend financieel conflict (lees: het auteursduo wilde meer royalty's voor de Blueberry-reeks). Al in 1974 deelden de auteurs een tik uit naar Dargaud, door de voorpublicatie van de nieuwe Blueberry, "Angel Face", voor het eerst in haar geschiedenis bij het Franse stripblad Pilote weg te halen en in plaats daarvan te laten voor verschijnen in nummers 1-10 van Nouveau Tintin (zoals het zou heten van september 1975 tot juni 1978), de opnieuw opgestarte Franse variant van het stripblad Tintin van concurrent Lombard (geen publicatie in de Belgisch/Nederlandse versies Tintin/Kuifje). Pilote moest daardoor noodgedwongen de aankondigingsplaat, die het al had klaarliggen, op het laatste moment laten vervallen (die plaat is terug te vinden in Striprofiel, nr. 36, 1979, p. 44). Dargaud's tegenzet was om het album vervroegd uit te brengen, nog voor Nouveau Tintin in de gelegenheid was de platen te publiceren. Een saillant detail was dat Charlier zijn mede creatie Pilote al in 1972 had verlaten wegens additionele redactionele conflicten, en dat hij van 1976 tot 1977 een soortgelijke redactionele functie zou vervullen voor Tintin, zij het niet als hoofdredacteur en op tijdelijke basis, daar het blad wegens een overname in een transitieperiode zat. In die tussentijd had Charlier als documentaire maker voor de Franse televisie gewerkt, onderwijl in Mexico inspiratie opdoende voor wat later De gringos stripreeks zou worden.

Een volgende fase in het conflict was de toevallige omstandigheid dat Giraud het moordende productie tempo van Blueberry zat was en een sabbatical van vijf jaar nam van die reeks om zijn artistieke alter ego "Moebius" verder uit te ontwikkelen. Hoewel Charlier hier verder geen invloed op had, maakte hij van de gelegenheid gebruik om een koele afstandelijkheid in te nemen naar Georges Dargaud toe, oprichter en eigenaar van de uitgeverij, door telkens te verklaren, wanneer hem in die vijf jaren naar een nieuwe Blueberry werd gevraagd, dat hij "geen inspiratie" had. Tegen de tijd dat Giraud weer klaar was om met Blueberry verder te gaan en in 1979 de eerste pagina's van "Nez cassé" produceerde, herhaalde het auteursduo, om hun standpunt kracht bij te zetten, haar actie van vijf jaar eerder door de voorpublicatie elders te laten geschieden, te weten in het Franse stripblad Métal Hurlant, nr's 38- 39, van de, door Giraud mede opgerichte, uitgeverij Les Humanoïdes Associés (Humanos) en in het blad "Wham !" en afgeleiden van uitgeverij Koralle voor anderstalige landen.

De laatste fase in het conflict volgde enkele maanden later met "Mississippi River". Het verhaal, losjes gebaseerd op de film "Gone with the Wind" uit 1939, was een uitbreiding van het 17-pagina tellende korte verhaal met de gelijke titel, oorspronkelijk drie jaar eerder gepubliceerd als gelegenheidsproject in de Juni 1976 "Western Special" van het blad Pilote. Georges Dargaud had het liefst een Blueberry kort verhaal gezien om iets te doen aan de steeds grotere vraag naar nieuwe Blueberrys, maar nòch Giraud (zoals in "Stripschrift special", nr 4 opgetekend) nòch Charlier waren ook maar bij benadering voornemens om nog een titel toe te voegen aan het reeds betwiste oeuvre. Bijkomend voordeel was dat het, als een tijdschrift publicatie, betekende dat Charlier volledige commerciële controle behield over de nieuw creatie (zie verderop), wat mogelijk van voordeel zou kunnen zijn in de toekomst, iets wat eerder kwam als zelfs Charlier had kunnen voorzien. Dat het korte verhaal überhaupt is gemaakt, kan niet anders uitgelegd worden dan een geste van Charlier om in ieder geval de deur open te houden naar Dargaud toe in de onderhandelingen.

Het korte verhaal bood voldoende aanknopingspunten om het uit te breiden naar een volwaardig verhaal van zestig pagina's. Het verhaal met de nieuwe uitbreiding van 43 pagina's (Giraud tekende het nieuwe gedeelte in het tempo van een pagina per dag, waardoor hij gedwongen was om een lossere tekenstijl te hanteren, à la zijn De jonge jaren van Blueberry korte verhalen) werd in 1979 wederom voorgepubliceerd in Métal Hurlant, nr's 44-46, als een niet mis te verstaan signaal aan Dargaud, dat het auteursduo andere opties had.

In eerste instantie gaf de toen volstrekt onverwachte publicatie een tijd lang aanleiding tot het foutieve gerucht (eveneens trouw opgetekend in "Stripschrift special"), dat dat blad in financiële problemen verkeerde, hetgeen overigens op zichzelf waar was, en dat Giraud de strip had gecreëerd om de verkoopcijfers een oppepper te geven, wat niet waar was. Om de druk op Dargaud verder op te voeren werd het album nog tijdens de voorpublicatie uitgegeven. Saillant detail was dat de wederwaardigheden van Jim Cutlass in het nieuwe gedeelte door Charlier eigenlijk waren toegedicht aan Blueberry, zoals hij dat beschreven had in de gefingeerde biografie van Blueberry, als dossier bijgevoegd aan het album "Ballade pour un cercueil" van 1974.

Georges Dargaud weigerde toe te geven aan de "chantage" van het auteursduo en dezen voegden daad bij woord door de uitgaverechten van nieuwe titels bij Dargaud weg te halen, hoewel ze contractueel nog verplicht waren om het nieuwe album "Nez cassé" nog bij die uitgever te laten verschijnen. Maar vanaf dat moment, van 1980 tot 1993/94, werden nieuwe titels van Blueberry alsmede nieuwe titels van De jonge jaren van Blueberry en Marshal Blueberry, achtereenvolgens uitgegeven bij EDI-3-BD (Koralle als licentiehouder verantwoordelijk voor druk en verspreiding)/Fleurus, Novedi/Hachette, Dupuis en Big Balloon/Alpen. Daar bleef het niet bij, Charlier haalde tevens de uitgaverechten voor nieuwe titels weg van de twee andere Dargaud series waarvan hij de mede auteur was, Roodbaard en Tangy en Laverdure, waar het hem overigens ook aan "inspiratie ontbrak" in de periode 1975-1980. Dargaud reageerde hierop door alle korte verhalen van al die reeksen, ooit verschenen in de pocket uitgaven Super Pocket Pilote (1968-1970) versneld uit te geven in een reeks bundelingen gedurende 1979-1981, zij het in ietwat verknipte en redigeerde vorm om tot het standaard formaat van 48 pagina's per album te komen.

Als een soort "Up Yours" reactie liet Charlier deze verhalen een jaar later vrijwel parallel herverschijnen, nu onversneden en in hun totaliteit, in een reeks Strip-Pockets van gelegenheids-uitgever EPI (Editions Presses Internationales) . EPI was in feite niets anders dan Charlier's eigen strip-syndicatie (zie: De syndicatie van Blueberry's "Fort Navajo") persagentschap EdiFrance/EdiPresse, door hem mede opgericht in 1955 en juridisch verantwoordelijk geweest voor de lancering van het Franse stripblad Pilote, en voor de gelegenheid nieuw leven ingeblazen. Juridisch gezien was Charlier gerechtigd tot deze actie, daar deze pocketuitgaven als tijdschriften werden gepresenteerd. Toen Dargaud Pilote kocht in 1960, droeg EdiPresse alle publicatie bevoegdheden over aan Dargaud, met uitzondering van Charlier's eigen creaties, waarvoor hij een voorbehoud inbouwde voor zover het tijdschrift voorpublicaties betrof. De sinds circa 1965 slapende constructie, kwam Charlier – van huis uit een jurist – nu uitstekend van pas gedurende het conflict, en was tevens de verklaring waarom hij in staat was om ook "Angel Face", "Nez Cassé" èn "Mississippi River" te laten voor verschijnen in periodieken buiten Dargaud om, zonder zich al te druk te hoeven maken over juridische repercussies. Het was tekenend voor de verzuurde verhouding tussen Charlier en Dargaud. De Nederlandstalige versies van de pockets uitgaven waren uitbesteed aan Gary Publishing, een gelegenheids imprint van de Duitse uitgever Koralle, waar Charlier in eerste instantie zijn reeksen had ondergebracht na de breuk met Dargaud.

Tot een verzoening tussen Georges Dargaud en Charlier, die toch significante strip-historisch bijdragen, zowel artistiek als zakelijk, aan zijn uitgeverij heeft geleverd, is het nooit meer gekomen. Charlier heeft door zijn overlijden in 1989, bijna op de kop af een jaar later in de dood gevolgd door zijn tegenstrever, de terugkeer van zijn reeksen naar de "huisuitgever", voor wie hij alsmede ooit aan de wieg van hun stripalbum uitgaven heeft gestaan, niet meer meegemaakt, ironisch genoeg gefaciliteerd door JMC Aventures (de erven Charlier, met name zoon Philippe).

De bedoeling was, na de ondergang van Novedi in 1990, dat Blueberry ondergebracht zou worden bij Humanos, begin 1989 overgenomen door de Zwitser Fabrice Giger. Giraud echter ondernam geen enkele verdere actie nadat hij de overgang had voorgesteld, meer dan waarschijnlijk doordat hij nog verwikkeld was in de laatste fase van zijn Amerikaans avontuur van 1984-1989 èn beginnende huwelijksproblematiek met zijn eerste vrouw, Claudine, wat uiteindelijk resulteerde in een formele echtscheiding, uitgesproken op 5 december 1994. Overigens, zoals het een goed kunstenaar betaamd, waren de zakelijke aspecten, normaliter behartigd door zowel zijn eerste als zijn latere tweede echtgenote, Isabelle Champeval (die hij reeds in 1984 op een boek signeer sessie in Venetië had ontmoet), van zijn werk nou niet bepaald zijn sterkste kant. Philippe vond zijn vader's creaties echter niet passen in het in zijn ogen zweverige fonds van Humanos, en bracht het onder in Giger's originele uitgeverij Alpen Publishers, die hij kort voor de overname van Humanos had opgericht, en wat meer gespecialiseerd was in klassieke strips voor een jonger publiek.

Wat Giraud niet wist was dat vader Charlier de ondergang van Novedi al had zien aankomen en dat hij reeds in 1988 contact met Alpen – vlak na de oprichting van die uitgeverij – had opgenomen met de bedoeling om zijn hele fonds daar onder te brengen. Zoon Philippe nam dus simpelweg het stokje over van zijn vader en ging door met onderhandelen waar zijn vader moest afhaken, waarbij hij tijdens die gelegenheid de stichting JMC Aventures oprichtte, bedoeld om te creatieve en commerciële integriteit van zijn vader's creatieve nalatenschap te waarborgen. Vanuit Giger's oogpunt was het niet meer dan logisch dat Humanos en Alpen meer en meer met elkaar verweven zouden worden, maar de toenemende invloed van de Humanos redactie op Alpen, zinde Philippe niet in het minst, en hij haalde het hele fonds gezwind weg bij Alpen om het in 1992 onder te brengen bij het voor hem beter passende Dupuis. Giger zelf gaf in 2008 aan dat het mislukken van het project vooral te maken had met mislukte onderhandelingen met gerechtigden van andere Charlier tekenaars, met name de weduwe van Jijé. Uiteindelijk was Philippe het wachten op Giraud zat, en hakte tegen het einde van 1993 de knoop door en liet alle reeksen weer terugkeren naar Dargaud, na het niet al te geslaagd experiment bij Dupuis, waar enkel de Blueberry delen uit het Koralle/Novedi tijdperk een herdruk run hebben gezien.

Door het mislukken van de pressie, maar meer nog omdat Giraud zijn handen vol had aan Blueberry en John Difool, bleef "Mississippi River" lange tijd een one-shot tot Giraud tien jaar later de reeks nieuw leven trachtte in te blazen, nu als scenarist, met Cristian Rossi als tekenaar. Het was overigens niet Giraud die het initiatief nam om de serie nieuw leven in te blazen, maar Charlier senior zelf. Al in 1987 besloot Charlier om pogingen te ondernemen met een andere tekenaar, omdat hij heel goed wist dat Giraud teveel bezig was met andere zaken, en hij had in eerste instantie de Italiaan Gaetano Liberatore op het oog, voordat hij uiteindelijk Cristian Rossi uitkoos. Voor Rossi, die enthousiast toehapte omdat hij het rebelse karakter van Cutlass heel erg mocht, èn juist omdat het geen Blueberry was (hij had geen zin om een tweede Colin Wilson te worden die op dat moment al De Jonge Jaren reeks had overgenomen), begon Charlier met het schrijven van een script met de voorlopige titel "K.K.K." Een andere reden voor Rossi om toe te happen was, dat de reeks de mogelijkheid bood om het geheel de zijne te maken, omdat Giraud slechts één deel had getekend. De bedoeling was om de nieuwe reeks bij Giraud's uitgeverij Aedena onder te brengen, wat de publicatie van de oefen portfolio uit 1987 bij die uitgeverij verklaarde. Echter de publicatie van de serie liep vertraging op, door het failliet gaan van Aedena (deels nevenschade als gevolg van de boedelscheiding tussen Giraud en mede-eigenaresse Claudine) en vervolgens door het overlijden van Charlier zelf in 1989.

Na Charlier's overlijden, begon Giraud met het incomplete scenario van Charlier van 36 pagina's te voltooien, wat verklaard waarom het tweede album uit 1991, nu getiteld "De man van New Orleans", Charlier postuum mede crediteert voor het scenario. De hele voorgeschiedenis omtrent Jim Cutlass legde Giraud uiteindelijk geen windeieren, daar hij bij die gelegenheid, door Humanoïdes en Casterman tegen elkaar uit te spelen, een vergoeding per plaat verkreeg van het toen royale bedrag van 750 euro èn voor zichzelf het toen geldende royalty percentage naar 13% verdubbelde. Giraud wilde de reeks uiteindelijk laten integreren in de Blueberry-reeks, maar daar sprak Blueberry mede-eigenaar Philippe Charlier, wars van Giraud's geflirt met "New Age" filosofieën en levensstijlen, niet zelden doorsijpelend in zijn werk, Jim Cutlass inbegrepen – waar Voodoo elementen een steeds grotere rol gingen spelen in de latere delen – , zijn veto over uit. Echter, de reeks haalde bij lange na niet het gewenste commerciële succes en werd na deel 7 gestaakt.
Afbeelding weetje
Geplaatst door Surya op 13/03/2012
Een weetje of fout toevoegen